Voor Stadsblad de Echo schreef Hans meer dan 10 jaar een wekelijkse column met als titel 'Amsterdam omsingeld'. Belangrijk voor een monumentenkenner als Hans is dat de feiten kloppen en dus werd het stuk altijd grondig herlezen voor het naar de redactie ging. Er zitten er een aantal tussen waar hij trots op is, zoals het stuk over het terugvinden van een marmeren fontein, die was verdwenen uit een huis aan het Singel. Het fonteintje bleek te zijn gekocht door een nietsvermoedende restaurateur. Na een oproep in ‘Amsterdam omsingeld’ kon het weer op zijn oorspronkelijke plek worden opgehangen. De samenwerking met Stadsblad de Echo werd helaas gestopt, maar een groot deel van de columns is hier terug te lezen. Eind 2017 is Hans gevraagd om een bijdrage te leveren aan de Binnenkrant. Deze wijkkrant verschijnt vier maal per jaar en zijn column is getiteld ‘Thuis in d’Oude Stadt’.

Thuis in d'Oude Stadt, aflevering 8
Gepubliceerd in de Binnenkrant, najaar 2019

Op één van die talloze toeristische sites staan 50 goede redenen om Amsterdam te bezoeken. Uiteraard valt het niet te ontkennen dat veel van die attracties in de binnenstad liggen. Ze maken onze stad aantrekkelijk en een bezoekje waard. Intussen weten we allemaal waartoe dat heeft geleid: een gestaag groeiende toeristenstroom met alle negatieve effecten die horen bij een blijkbaar onbeheersbare groei.
Het succes van de oude stad lijkt misschien vanzelfsprekend, maar dat is het helemaal niet. In de jaren zestig en zeventig was het gemeentebeleid er zelfs op gericht de binnenstad als zakencentrum te bestemmen waar bewoners eigenlijk niets hadden te zoeken. Grachten werden gezien als onhygiënisch en Amsterdam kon maar beter worden aangepast aan de “moderne” vervoersvorm, de auto. Politiecommisaris Kaasjager stelde in 1954 nog voor om vijftien grachten te dempen, waaronder Singel, Kloveniersburgwal en Geldersekade, voor het maken van een verkeersroute. Auto’s in plaats van grachten, het kan verkeren.
Monumentenzorgers van het eerste uur Geurt Brinkgreve en Ruud Meischke kwamen tegen dit beleid in opstand. In datzelfde jaar 1954 zei Brinkgreve al: “De komende tien jaar zal de beslissing brengen of de schoonheid van Amsterdam verloren gaat of behouden blijft.” Hij was een man met visie die niet alleen streed tegen de desastreuze plannen van de gemeente, maar zelf ook restauraties ter hand nam. Zijn betrokkenheid leidde uiteindelijk tot een ommekeer in de gemeentepolitiek. Het “compacte stad”-beleid deed zijn intrede en betekende een omslag van het grootschalige naar het kleinschalige denken. Voortaan werd niet functiescheiding, maar functiemenging – wonen, werken en recreëren – gezien als een noodzakelijke voorwaarde voor de aantrekkelijkheid en het succes van de stad. Erkenning als werelderfgoed was in feite de beloning voor een jarenlange strijd die mede was mogelijk door de betrokkenheid van bewoners in de historische binnenstad.
Desondanks ging het gevoel heersen dat binnenstadbewoners werden beloond met drukte en overlast van de vele bezoekers uit binnen- en buitenland. Voor die onvrede kon de gemeente niet langer haar ogen sluiten. In het rapport “Stad in balans” uit 2015 in opdracht van wethouder Kajsa Ollongren was de conclusie om dan maar zoveel mogelijk evenementen en attracties te verspreiden over de hele stad. Maar het is natuurlijk een illusie te denken dat toeristen op de fiets stappen om gezellig naar het tuincentrum in Osdorp af te reizen. Nee, ze komen voor de grachtengordel en vooruit, een uitstapje naar Artis of de Hallen in West is ook best de moeite waard.
Afgelopen jaar was het de beurt aan burgemeester Femke Halsema. Zij gaf planoloog Zef Hemel de opdracht een toekomstbeeld te ontwikkelen voor de gehele historische binnenstad. Dit keer was er wel erkenning voor het gevoel van vervreemding dat onder de binnenstadbewoners was gegroeid. Er is een tweede toeristisch centrum nodig was zijn conclusie. De prognoses gaan uit van een verdubbeling van het aantal bezoekers in de komende twintig jaar. Als dat zo is, dan mag de stad, volgens Zef Hemel, niet toelaten dat het historische centrum haar belangrijkste attractie blijft.
Er is nog heel wat creativiteit en kapitaal nodig om het accent van de binnenstad te verleggen naar andere delen van de stad, zoals de Zuidas. Kunnen we daar dan eindelijk een Museum voor Dutch Design verwachten of misschien een “dependance” van de Oude Kerk waar de projecten van mevrouw Grandjean kunnen worden gerealiseerd? Als Amsterdam haar 750-jarig bestaan over negen jaar ‘groots en meeslepend’ wil vieren, dan mogen gemeente en overheid best wat extra investeren in de toekomst van de hoofdstad. De inkomsten van het toerisme zouden daar als eerste terecht moeten komen.
Diezelfde gemeente ziet zich de komende jaren echter gesteld voor een aantal fikse ingrepen, dus of dat kwalitatief, hoogwaardig toeristisch programma op de Zuidas er bij het 750-jarig jubileum al zal zijn, wordt nog heel spannend. Eerst zorgen dat de groei in het aanbod van hotelkamers ook daadwerkelijk stopt in 2022!