Columns

Voor Stadsblad de Echo schreef Hans meer dan 10 jaar een wekelijkse column met als titel 'Amsterdam omsingeld'. Belangrijk voor een monumentenkenner als Hans is dat de feiten kloppen en dus werd het stuk altijd grondig herlezen voor het naar de redactie ging. Er zitten er een aantal tussen waar hij trots op is, zoals het stuk over het terugvinden van een marmeren fontein, die was verdwenen uit een huis aan het Singel. Het fonteintje bleek te zijn gekocht door een nietsvermoedende restaurateur. Na een oproep in ‘Amsterdam omsingeld’ kon het weer op zijn oorspronkelijke plek worden opgehangen. De samenwerking met Stadsblad de Echo werd helaas gestopt, maar een groot deel van de columns is hier terug te lezen. Eind 2017 is Hans gevraagd om een bijdrage te leveren aan de Binnenkrant. Deze wijkkrant verschijnt vier maal per jaar en zijn column is getiteld ‘Thuis in d’Oude Stadt’.

Thuis in d'Oude Stadt, aflevering 11
Gepubliceerd in de Binnenkrant, winter 2020 

Duifies Duifies kom maar bij Gerritje,
Zal je niet vechten om één zo'n erretje,
Duifies Duifies wat zijn ze mak,
17 Duifies bovenop het dak.

Dit sfeervolle lied van Annie M. G. Schmidt uit de legendarische tv-serie “Ja zuster, nee zuster” is pure nostalgie. Het onderwerp van het lied – de liefde voor de duif en het duivenmelken – is een fenomeen dat we zo’n beetje als verleden tijd mogen beschouwen. Op Youtube is de originele versie met acteur Leen Jongewaard te zien en ligt opgeslagen in het geheugen van een hele generatie kinderen en hun ouders. 
Amsterdammers – en vooral Jordanezen - waren echte duivenmelkers en dat blijkt al uit een keur van 1557. Deze wet beval duivenhouders 'hun duiven binnen haren huysen' te houden. Aanvankelijk ging het vooral om het kweken van mooie duiven, maar vanaf de negentiende eeuw lieten de duivenmelkers hun duiven wedstrijden vliegen.
Vooral in de jaren ’50 van de vorige eeuw waren overal in de stad en vooral in de Jordaan een flink aantal bouwsels voor postduiven te vinden. Het waren soms hele constructies, waarin wel honderden duiven konden worden ondergebracht. Zo kende de duiventil verschillende vormen: ‘nokleggers’, ‘kasten’ en ‘nokkasten’. Op maandagavond was er de onvermijdelijke  duivenmarkt op het Amstelveld en zaterdagmiddag op de Noordermarkt.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het duivenmelken verboden door de Duitsers, bang dat middels de duiven berichten werden verstuurd. Na de oorlog leefde het weer op, maar als gevolg van de stadsvernieuwing daalde het aantal duivenmelkers drastisch vanaf 1965. Er was steeds minder ruimte om duiven te houden en zo’n hobby kost ook nogal wat geld. Van lieverlee werden ‘verdwaalde’ duiven steeds meer gezien als ‘flying rats’ zoals Woody Allen ze in zijn film ‘Manhattan” aanduidde. 
Op de foto zien we duivenmelker ‘ome’ Toon Oudkerk in een duivenkast op het dak van Noordermarkt 11, gezien naar Prinsengracht en Noorderkerk. De foto moet zijn genomen rond 1965 met links op de achtergrond de Westertoren. Op de tekening van Jan Pieterse (1900-1958) is zelfs nog beter te zien wat een gevaarte sommige kasten eigenlijk waren: achter de geveltop staat de duiventil op de nok van het dak.
In de stad is  het duiven houden zo goed als passé en daarmee is ook de duiventil uit het stadsbeeld verdwenen. Het zijn niet de meest elegante ontwerpen, maar het is best jammer dat sommige van deze bouwsels niet bewaard zijn gebleven. Voor een monumentenstatus is nu eenmaal meer nodig dan hobby en liefde voor duiffies. De laatste jaren is er wel meer aandacht voor immaterieel erfgoed en sinds 2017 behoort het duivenmelken ook tot die categorie. Jammer dat er in het Amsterdam Museum – de plek waar de geschiedenis van Amsterdam wordt gekoesterd – over dit onderwerp bijna niets is te vinden. 
De ‘duifies’ op de Dam zijn wellicht nazaten van Gerritje en die moeten het tegenwoordig vooral hebben van liefhebbende bezoekers aan de ‘nationale huiskamer van het land’.