Columns

Voor Stadsblad de Echo schreef Hans meer dan 10 jaar een wekelijkse column met als titel 'Amsterdam omsingeld'. Belangrijk voor een monumentenkenner als Hans is dat de feiten kloppen en dus werd het stuk altijd grondig herlezen voor het naar de redactie ging. Er zitten er een aantal tussen waar hij trots op is, zoals het stuk over het terugvinden van een marmeren fontein, die was verdwenen uit een huis aan het Singel. Het fonteintje bleek te zijn gekocht door een nietsvermoedende restaurateur. Na een oproep in ‘Amsterdam omsingeld’ kon het weer op zijn oorspronkelijke plek worden opgehangen. De samenwerking met Stadsblad de Echo werd helaas gestopt, maar een groot deel van de columns is hier terug te lezen. Eind 2017 is Hans gevraagd om een bijdrage te leveren aan de Binnenkrant. Deze wijkkrant verschijnt vier maal per jaar en zijn column is getiteld ‘Thuis in d’Oude Stadt’.

Thuis in d'Oude Stadt, aflevering 10
Gepubliceerd in de Binnenkrant, najaar 2020 

De plaskrul die al zo lang deel uitmaakt van het Amsterdams straatmeubilair heeft blijkbaar zijn langste tijd gehad. Dat zou toch eigenlijk voorkomen moeten worden. Was het eind negentiende eeuw nog het paradepaardje van Dienst Publieke Werken, in de jaren 70 werd de krul al doelwit van kritiek door de opkomst van de feministische beweging. Geerte Piening vocht in 2017 haar wildplasboete bij de rechter aan en kreeg het onderwerp vervolgens hoog op de agenda van de gemeenteraad. Het werd duidelijk dat er voor vrouwen weinig mogelijkheden zijn om hun behoefte te doen. Bovendien wordt wildplassen door zowel mannen als vrouwen als een probleem gezien dat moet worden aangepakt.
Voordat de eerste plaskrullen rond 1880 werden geplaatst, was ongegeneerd plassen in de gracht heel normaal. Echter, de mores veranderde en er ontstond behoefte aan een speciale plasgelegenheid. Zodoende had op 24 mei 1869 de aanbesteding plaats van openbare urinoirs en in 1880 deden de eerste enkele en dubbele krullen hun intrede. Ze waren bestemd voor mannen die buiten aan het werk waren. Verder was transparantie van belang. Voor dienstdoende agenten was het dan mogelijk te beoordelen of zich meerdere mensen in een urinoir bevonden. In de 19e en het grootste deel van de 20e eeuw werd de krul door homoseksuele mannen namelijk gebruikt om te cruisen.
Doorgaans is de krul van gietijzer, in grachtengroen geschilderd en er bestaat zowel een enkele als dubbele versie. Aan het begin van de vorige eeuw werd het ontwerp vernieuwd en voorzien van een ronde kap met beschermschot. 
Een zeldzaam exemplaar staat voor hotel The Grand aan de Oudezijds Voorburgwal. Dit urinoir werd in 1926 door Allard Remco Hulshoff – destijds in dienst bij Publieke Werken – ontworpen in de stijl van de Amsterdamse School. Het gebouw kreeg een natuurstenen sokkel met daarboven een maaswerk van baksteen. De waterplaats wordt afgedekt door een rond en plat dak. Op het dak van het urinoir staat links naast de ingang een beeld van Hildo Krop (aardige bijkomstigheid: 2020 is Hildo Krop Jubileumjaar). Met recht een pisbak met kunstzinnige uitstraling. Dit urinoir zal de grote ruimactie wel overleven; het werd in 2001 aangewezen als Rijksmonument. Het mag dan ook wel als zodanig worden behandeld. Rondom is het vaak een troep en een gewild object voor onze graffiti-vrienden.
Het beleid van de gemeente was er altijd op gericht om de krul als historisch monument te zien. Het ‘pissoir’ is misschien niet zo beeldbepalend als de grachten of grachtenhuizen, toch hoort het wel degelijk bij het Amsterdamse straatbeeld, beschermd door UNESCO als werelderfgoed. Gemeentelijk beleid is soms wat ondoorzichtig, dus laten we hopen dat de resterende 39 exemplaren in de toekomst gehandhaafd blijven. De plaskrul bij het Homomonument aan de Westermarkt moet sowieso blijven staan als een relikwie uit het homoverleden. In ieder geval is een plaskrul naast ander verdwenen straatmeubilair tot in lengte van dagen te bewonderen in de binnentuin van Museum Het Schip.  

Illustratie:  
Luiz Henrique Yudo