Voor Stadsblad de Echo schreef Hans meer dan 10 jaar een wekelijkse column met als titel 'Amsterdam omsingeld'. Belangrijk voor een monumentenkenner als Hans is dat de feiten kloppen en dus werd het stuk altijd grondig herlezen voor het naar de redactie ging. Er zitten er een aantal tussen waar hij trots op is, zoals het stuk over het terugvinden van een marmeren fontein, die was verdwenen uit een huis aan het Singel. Het fonteintje bleek te zijn gekocht door een nietsvermoedende restaurateur. Na een oproep in ‘Amsterdam omsingeld’ kon het weer op zijn oorspronkelijke plek worden opgehangen. De samenwerking met Stadsblad de Echo werd helaas gestopt, maar een groot deel van de columns is hier terug te lezen. Eind 2017 is Hans gevraagd om een bijdrage te leveren aan de Binnenkrant. Deze wijkkrant verschijnt vier maal per jaar en zijn column is getiteld ‘Thuis in d’Oude Stadt’.

Amsterdam omsingeld 711
Gepubliceerd in Stadsblad de Echo van 3 augustus 2016

Het Rembrandtmonument op het Rembrandtplein is het oudste, nog bestaande standbeeld in de stad. In 1852 werd het eerbetoon gemaakt door de Vlaamse beeldhouwer Louis Royer en onthuld door Koning Willem II op wat toen nog de Botermarkt heette. De uit ijzer gegoten Rembrandt staat sinds de herinrichting van het plein in 2009 op een nieuwe sokkel met het gezicht naar het westen. ‘Zo stijf als een standbeeld’ wordt wel gezegd en dat gaat wel enigszins op voor dit weinig expressieve, neoklassieke beeld. Dan het werk van de grote Rembrandt zelf maar eens bekijken. In de eregalerij van het Rijksmuseum – het prachtige eerbetoon aan de Hollandse meesters! - zijn nu de pendantstukken van Maarten en Oopjen te bezichtigen die Rembrandt al op zijn 28ste maakte. Het schatrijke glamourpaar is helemaal opgetut volgens de laatste Parijse mode en – ongebruikelijk voor gewone burgers - levensgroot afgebeeld. Maarten neemt een  trotse en zelfverzekerde houding aan, de hoogzwangere Oopjen kijkt een beetje zuur en ontevreden. Ze zullen geen seconde hebben vermoed dat hun portretten ooit nog eens voor een kolossaal bedrag werden doorverkocht. ‘Voor de prijs van die schilderijen hadden ze heel wat bejaardenhuizen kunnen opknappen’ luidt het nuchtere commentaar van een bezoeker. Zit wat in, maar er wordt aan Rembrandt ook behoorlijk verdiend. De meeste buitenlandse bezoekers zullen na het Rijksmuseum bijvoorbeeld linea reacta aftaaien naar de Jodenbreestraat 4 voor een bezoek aan het Rembrandthuis. Hier heeft hij tot aan zijn faillissement in 1656 gewoond en zijn de latere meesterwerken – waaronder de Nachtwacht - geproduceerd. Het huis werd in 1606 gebouwd en is vermoedelijk onder toezicht van Jacob van Campen in 1627 verbouwd. Het kreeg een extra verdieping plus een nieuwe voorgevel met een driehoekig fronton.
De reconstructie van zijn atelier eind jaren negentig van de vorige eeuw was niet alleen een bouwkundige kwestie. De inrichting moest de tijd dat Rembrandt er woonde en werkte tot leven brengen. Aan 17de-eeuwse schildersspullen is praktisch niets bewaard gebleven, dus er werd van alles nagemaakt. Een museaal verhaal vertellen betekent soms wat sjoemelen. Mag best. Het huis heeft sfeer en er is een hoop te zien.
Verwachtingsvol kijkt een toeriste uit het raam van het atelier. Binnen waant ze zich misschien even in een andere tijd. Helaas, buiten niks geen zeventiende eeuw, maar gewoon 2016.

Bijschrift bij de foto: Maarten en Oopjen trekken veel publiek in de eregalerij van het Rijksmuseum.