Voor Stadsblad de Echo schreef Hans meer dan 10 jaar een wekelijkse column met als titel 'Amsterdam omsingeld'. Belangrijk voor een monumentenkenner als Hans is dat de feiten kloppen en dus werd het stuk altijd grondig herlezen voor het naar de redactie ging. Er zitten er een aantal tussen waar hij trots op is, zoals het stuk over het terugvinden van een marmeren fontein, die was verdwenen uit een huis aan het Singel. Het fonteintje bleek te zijn gekocht door een nietsvermoedende restaurateur. Na een oproep in ‘Amsterdam omsingeld’ kon het weer op zijn oorspronkelijke plek worden opgehangen. De samenwerking met Stadsblad de Echo werd helaas gestopt, maar een groot deel van de columns is hier terug te lezen. Eind 2017 is Hans gevraagd om een bijdrage te leveren aan de Binnenkrant. Deze wijkkrant verschijnt vier maal per jaar en zijn column is getiteld ‘Thuis in d’Oude Stadt’.

Amsterdam omsingeld 707
Gepubliceerd in Stadsblad de Echo van 6 juli 2016  

Waren paarden niet lange tijd heel gewoon in het straatbeeld? Paarden voor de kar van de schillenboer of melkboer, voor rijtuigen en koetsen. Allemaal foetsie, behalve de paardenkoets die vanaf de Dam toeristen rondrijdt door de binnenstad. Best leuk, zo’n scheutje nostalgie in het moderne stadsgewoel. Aan het eind van de 16de eeuw lieten welgestelde Amsterdammers zich ook graag in hun privé-rijtuigen over de grachten rijden. Ja, toen waren er al opstoppingen en parkeerproblemen, want er reden ook heel wat handkarren en paard en wagens door de stad. Om tenminste het inkomend verkeer van boeren en handelaren te reguleren werden speciale wagenpleinen - bijvoorbeeld Haarlemmerplein en Leidseplein - ingericht. Hier kon ‘knol, koets of kar’ worden achtergelaten. Denk eens in hoeveel kabaal de drukte op zo’n plein gaf!
Behalve de wagenpleinen zijn de - ongeveer 300 – resterende, monumentale koetshuizen stille getuigen van weleer. Koetshuizen hoorden bij een hoofdhuis, meestal op één van de hoofdgrachten. In de Kerkstraat, Langestraat of Reguliersdwarsstraat zijn de meeste stalgebouwen  te vinden en herkenbaar aan – meestal minimaal twee – grote houten deuren op straatniveau. Op de bovenverdieping was woonruimte voor de koetsier plus opslagruimte voor hooi en stro. Bij een aantal koetshuizen is de soms geheel ‘opgeleukte’ achterkant vaak heel verrassend. Zo’n achtergevel wordt een zogenaamde decor- of schijngevel genoemd. De heer en mevrouw van het hoofdhuis, wilden niet tegen een ordinair bedrijfspand aankijken en lieten de achtergevel van hun koetshuis rijkelijk versieren.
Begin twintigste eeuw kwam de stalen ros en verdween de trouwe metgezel geleidelijk uit het straatbeeld. Logisch dat koetshuizen aanvankelijk werden omgebouwd tot garages, maar vanaf de jaren tachtig werden ze vaak omgetoverd tot galerie of restaurant. In de Reguliersdwarsstraat is er zelfs een discotheek in gehuisvest. Oude tijden herleven pas écht bij de jaarlijkse nachtrit van de Amsterdamse menvereniging ‘Hoofdstad Aanspanning’. Wat is mooier dan een stoet authentieke rijtuigen langs de sfeervol verlichte gracht te zien rijden? Op zaterdag 9 juli is het weer zover. Hopelijk zorgen de weergoden net als vorig jaar voor een zwoele zomeravond, als om half tien de lantaarns in het Vondelpark worden aangestoken. Daarna gaat het dwars door de binnenstad naar de Noordermarkt, waar het hele gezelschap rond half elf uitgebreid kan worden bewonderd. Voor de chroniqueur van oud-Amsterdam is de combinatie paard en koets een levend monument.

Bijschrift bij de foto: Een paardenkoets houdt even stil bij de Oudemanhuispoort op de Oudezijds Achterburgwal.