Voor Stadsblad de Echo schreef Hans meer dan 10 jaar een wekelijkse column met als titel 'Amsterdam omsingeld'. Belangrijk voor een monumentenkenner als Hans is dat de feiten kloppen en dus werd het stuk altijd grondig herlezen voor het naar de redactie ging. Er zitten er een aantal tussen waar hij trots op is, zoals het stuk over het terugvinden van een marmeren fontein, die was verdwenen uit een huis aan het Singel. Het fonteintje bleek te zijn gekocht door een nietsvermoedende restaurateur. Na een oproep in ‘Amsterdam omsingeld’ kon het weer op zijn oorspronkelijke plek worden opgehangen. De samenwerking met Stadsblad de Echo werd helaas gestopt, maar een groot deel van de columns is hier terug te lezen. Eind 2017 is Hans gevraagd om een bijdrage te leveren aan de Binnenkrant. Deze wijkkrant verschijnt vier maal per jaar en zijn column is getiteld ‘Thuis in d’Oude Stadt’.

Amsterdam omsingeld 669
Gepubliceerd in Stadsblad de Echo van 7 oktober 2015  

De kogel is door de kunsthistorische kerk. De twee pendantstukken - schilderijen die bij elkaar horen en een echtpaar laten zien – waarop Maerten Soolmans en Oopjen Coppit door Rembrandt zijn afgebeeld logeren de ene helft van het jaar in het Rijksmuseum en de ander helft verblijven ze in het Parijse Louvre. Het blijkt dat er al vanaf de zomer tussen de Franse en Nederlandse regering werd onderhandeld met de eigenaar, meneer Rothschild. Elk land betaalt een bedrag van 80 miljoen euro. Veel geld, maar er zijn genoeg projecten die met overheidsgeld zijn bekostigd zonder de meerwaarde als van deze bijzondere schilderijen. Het jonge stel werd in 1634 door Rembrandt vereeuwigd. Oopjen heeft zich voor de gelegenheid behangen met sieraden en Maerten oogt als een echte praalhans. Deze nieuwe rijken hadden er destijds 500 gulden (omgerekend 5.670 euro ) voor over. Rembrandt was in 1631 van Leiden naar Amsterdam verhuisd en had zijn atelier gevestigd in hetzelfde pand als zijn kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh aan Jodenbreestraat 4. De keus voor Rembrandt was waarschijnlijk snel gemaakt, want de ouders van Oopjen woonden praktisch om de hoek in de Oude Hoogstraat. De chroniqueur van oud-Amsterdam mag zich in gedachten graag verplaatsen in die tijd. Hoe zag het er toen uit? Het is bekend dat er veel kloosters waren gevestigd. Door de opkomst van het protestantisme was het kloosterleven in de vroege 16de eeuw echter snel in verval geraakt. Protestantse vluchtelingen kregen de beschikking over de Paulusbroederkerk die nog steeds onder de naam de Waalse Kerk bestaat. Aan de kant van de Oude Hoogstraat kwam een toegangspoortje naar de kerk, waarvan het ontwerp wordt toegeschreven aan Hendrick de Keyser. Keerpunt was de vestiging van het VOC-hoofdkwartier in het Oost-Indisch Huis uit 1606 aan diezelfde Oude Hoogstraat. Hier werden plannen gesmeed en scheepslui geronseld voor de handelsreizen. Een nieuwe geestdrift maakte zich meester van het land en de stad. Er kwam economische voorspoed en de komst van vele nieuwkomers dwong de stad het leefgebied te vergroten. De forse stadsuitbreiding uit 1613 met de Jordaan, de Westelijke Eilanden en als hoogtepunt de grachtengordel was een feit. De jonge Oopjen en Maerten representeren het Hollands welvaren van de Gouden Eeuw dat zich ongegeneerd ging manifesteren. Hollanders wilden niets liever dan voor vol gezien worden.

Bijschrift: 
Deze gewassen tekening uit 1768 van Reinier Vinkeles (1741-1816) laat het toegangspoortje uit 1618 naar de Waalse Kerk zien. De Oude Hoogstraat kende een enorme bedrijvigheid.