Voor Stadsblad de Echo schreef Hans meer dan 10 jaar een wekelijkse column met als titel 'Amsterdam omsingeld'. Belangrijk voor een monumentenkenner als Hans is dat de feiten kloppen en dus werd het stuk altijd grondig herlezen voor het naar de redactie ging. Er zitten er een aantal tussen waar hij trots op is, zoals het stuk over het terugvinden van een marmeren fontein, die was verdwenen uit een huis aan het Singel. Het fonteintje bleek te zijn gekocht door een nietsvermoedende restaurateur. Na een oproep in ‘Amsterdam omsingeld’ kon het weer op zijn oorspronkelijke plek worden opgehangen. De samenwerking met Stadsblad de Echo werd helaas gestopt, maar een groot deel van de columns is hier terug te lezen. Eind 2017 is Hans gevraagd om een bijdrage te leveren aan de Binnenkrant. Deze wijkkrant verschijnt vier maal per jaar en zijn column is getiteld ‘Thuis in d’Oude Stadt’.

Amsterdam omsingeld 644
Gepubliceerd in Stadsblad de Echo van 11 februari 2015

Vakmanschap is meesterschap! Kent u deze slogan uit de jaren zeventig nog? Aangevuld met beelden van ambachtslieden werd het biermerk Grolsch ambachtelijk neergezet. Een historisch huis is ook bij uitstek een toonbeeld van ouderwets vakmanschap, met aandacht voor materiaal en uitvoering. In de collectie monumentale huizen in Amsterdam – er vallen 8.863 stuks onder monumentenzorg – is bijvoorbeeld op grote schaal bewerkt hout terug te vinden. Dat kunnen deurkalven, puibalken, consoles of bovenlichten zijn. Inwendig betreft het sleutelstukken, houtskeletten, binnendeuren en trapbalusters. Naar de kunst van het houtsnijden is nauwelijks onderzoek gedaan. Houtsnijders zijn veelal anoniem gebleven, maar hun werk mag er zijn. Neem nou het door Stadsherstel Amsterdam N.V. eind vorig jaar aangekochte Spinhuissteeg 12 uit ±1760. Het hopeloos verwaarloosde pandje krijgt binnen afzienbare tijd een nieuwe fundering en ondergaat meteen een complete restauratie. Het heeft echter authentiek houtsnijwerk om zuinig op te zijn. Op de foto is bijvoorbeeld een trapbaluster uit de Lodewijk XVI-periode te zien, die ongeveer uit 1775 zal stammen. Het fraaie exemplaar met veertien versierde balusters is te vinden op de hoofdverdieping. Vermoedelijk is de trapbaluster afkomstig uit een ander pand en vervolgens hier ingebracht. Bovendien is de plek, op z’n zachtst gezegd, nogal vreemd. Het maakt nieuwsgierig naar de oorspronkelijke indeling, want ramen lappen is hier geen eenvoudige klus! Verder is er in het interieur nog een echte houten spiltrap te vinden uit de bouwtijd. De originele voordeur, die in twee delen opengaat, heeft hang- en sluitwerk eveneens uit de bouwtijd. Het bovenste gedeelte heeft een zogeheten Lodewijk XV-kuif – een andere benaming voor een opzetstuk met veel krullen en draaiingen. Het raam boven de voordeur heet een bovenlicht en er is een fraai ornament op aangebracht. Wederom is dit een meesterwerk van een houtsnijder. Door al dat fraaie detailwerk van ambachtslieden krijgt een huis iets persoonlijks, een eigen karakter. Waar het huidige bouwen vooral op produktie en doelmatigheid is gericht, kunnen we bij monumentenhuizen nog genieten van fraai vakwerk. Door pandjes zoals hier beschreven te blijven restaureren, verfraaien we niet alleen de stad, maar wordt het ambachtswerk in ere gehouden. Daarom herstelt Stadsherstel ook híer de stad!  

Bijschrift bij de foto:
Een tamelijk onbekend fenomeen in monumentale huizen is de trapbaluster. Ontwerptekeningen van zo’n monumentaal onderdeel zijn bijna niet te vinden. De makers van deze meesterproeven van houtsnijden zijn meestal onbekend.