Voor Stadsblad de Echo schreef Hans meer dan 10 jaar een wekelijkse column met als titel 'Amsterdam omsingeld'. Belangrijk voor een monumentenkenner als Hans is dat de feiten kloppen en dus werd het stuk altijd grondig herlezen voor het naar de redactie ging. Er zitten er een aantal tussen waar hij trots op is, zoals het stuk over het terugvinden van een marmeren fontein, die was verdwenen uit een huis aan het Singel. Het fonteintje bleek te zijn gekocht door een nietsvermoedende restaurateur. Na een oproep in ‘Amsterdam omsingeld’ kon het weer op zijn oorspronkelijke plek worden opgehangen. De samenwerking met Stadsblad de Echo werd helaas gestopt, maar een groot deel van de columns is hier terug te lezen. Eind 2017 is Hans gevraagd om een bijdrage te leveren aan de Binnenkrant. Deze wijkkrant verschijnt vier maal per jaar en zijn column is getiteld ‘Thuis in d’Oude Stadt’.

Thuis in d'Oude Stadt, aflevering 5
Gepubliceerd in de Binnenkrant, winter 2019  

Dat het Spinhuis aan de Oudezijds Achterburgwal staat, weten de meeste Amsterdammers wel. Maar lang niet iedereen weet dat deze voormalige gevangenis voor vrouwen uit 1645 dateert en is gebouwd door de beroemde bouwmeester Jacob van Campen, ontwerper van het stadhuis op de Dam. Het Spinhuis was het tuchthuis voor vrouwen, opgericht in 1597 in een deel van het voormalige Sint-Ursulaklooster. Zoals het tuchthuis voor mannen het rasphuis heette, werd het tuchthuis voor vrouwen het spinhuis genoemd en waar nonnen de leiding hadden. De veroordeelde vrouwen zaten in een grote zaal en moesten spinnen en naaien. Bedelaarsters, dieveggen en prostituées waren vaste klanten. Boven de toegangspoort stond de tekst ‘Om schamele meyskens, maegden en vrouwen ‘t bedelen, leechgaen en doolwech te schuwen, is dit spinhuis hier gesticht.’ Het schijnt zelfs dat mensen tegen betaling de dames konden bezichtigen en beschimpen.
In 1643 brandde het gebouw af en in 1645 werd op dezelfde plaats een nieuw Spinhuis gebouwd. Om de hoek, in de Spinhuissteeg kwam een poortje met een, aan Hendrick de Keyser toegeschreven, reliëf dat de geseling van twee vrouwen voorstelt. Eronder staan twee regels van Pieter Corneliszoon Hooft: ‘Schrik niet ik wreek geen quaat maar dwing tot goet. Straf is myn hant maar lieflyk myn gemoet’
De vrouwelijke gevangen verhuisden in 1782 naar de Roetersstraat. Het Spinhuis deed daarna onder meer dienst als hoofdbureau van politie, alvorens het onderdeel werd van de universiteit van Amsterdam. Recentelijk zijn het Huygens Instituut en het Meertens Instituut er ondergebracht.
De hierbij afgedrukte prent van  H. P. Schouten uit 1783 toont de ingang van het Spinhuis in het laatste jaar dat het gebouw in zijn oorspronkelijke functie in gebruik was. Twee regenten en hun vrouwen staan op het punt naar binnen te gaan. Zij worden vergezeld door een knecht zonder pruik, maar met een steek op. Hij draagt bovendien een paraplu om de elegante dames te beschermen tegen de regen. Op de gedetailleerde tekening oogt het steegje leeg en dat is precies wat er tegenwoordig ook weer zo prettig aan is. Nog niet eens zo lang geleden kon er met de auto vrolijk door het smalle straatje worden gereden en parkeren mocht ook.
Ondergetekende heeft als bewoner van de Spinhuissteeg ooit een verzoek bij de gemeente ingediend om de steeg autovrij te krijgen. Na zes maanden wachten werd een paaltje geplaatst en was de steeg weer van voetgangers, spelende kinderen, hondenuitlaat (met verplicht poepruimen) en nieuwsgierige toeristen. Veel liefhebbers van de oude binnenstad zullen de dag zegenen dat het gebied van deze werelderfgoedstad grotendeels autovrij wordt , zoals te zien op de unieke prent uit 1783.